

Openingsrit Paardetram Sloten, 13-08-1918
Foto: verzameling René van Lier
Home > Tram > Paardentram > Serie > Serie 74(5)
Gemeentetram Sloten- Rijtuig 5
Gemeente Tram Amsterdam- Rijtuig 5
Serie: 4
Type: open paardentramrijtuig
Bouwjaar: 1877-1888 (overgenomen in 1917)
Fabrikant wagenbak: Evrard of Plas "of" Franco-Belge of Plas
Lengte :
Breedte:
Hoogte:
Radstand:
Wieldiameter:
Gewicht :
Aanschafprijs :
Passagiersindeling : 20-8
In 1877 kocht de Société anonyme des tramways de La Haye voor haar tramnet in en rond de stad Den Haag een serie van 4 open rijtuigen, gebouwd door Evrrad of Plas, met de parknummers 40-43, waarmee men in de zomermaanden reed op onder andere de tramlijn Den Haag - Scheveningen. In 1881 en 1882 kocht men nogmaals 2 resp. 4 gelijke wagens met de nummers 44 en 45 resp. 46-49, die nu gebouwd werden door Franco-Belge of Plas. De capaciteit van deze rijtuigen was eerst 20 zit- en 12 staanplaatsen. In 1887 nam de HTM (Haagsche Tramweg-Maatschappij) de dienst op de lijnen in de stad en de buitenlijnen naar Scheveningen en Delft en daarbij verhoogde zij het aantal plaatsen in 20-14. In 1888 kocht de HTM nogmaals4 van deze open wagens bij Franco-Belge of Plas met de nummer 110-113. In 1892 werd door B&W het aantal plaatsen weer teruggesteld op 20-12.
Voor de zomer van 1895 zijn deze rijtuigen voorzien van kopschotten met korte zijstukken, tot wering van tocht en wind. In 1906 werden tien van de veertien rijtuigen door de HTM verkocht: één ging naar de ATM(Algemeene Tram-Maatschappij t.b.v. de tramlijn Gouda-Bodegraven), één ging naar de NmTM (Nijmeegsche Tramweg-Maatschappij), vier naar de TMZG (Tramweg-Maatschappij Zuidlaren - Groningen) en vier naar de EG (Tramweg-Maatschappij Eindhoven - Geldrop). Deze laatste vier werden verbouwd tot goederenwagens. De overige vier zal de HTM wel tegelijk met deze tien buiten dienst hebben gesteld en deze zijn vermoedelijk gesloopt.
Het rijtuig bij de ATM, die in dit serieblad wordt behandeld, is dus een onbekend rijtuig uit de reeks 40-49 of 110-113 van de HTM. Het werd aangepast voor 750 mm-spoor. Het rijtuig reed aansluitend bij de ATM zonder nummer. In 1917 werd het bij de opheffing van de tramlijn Gouda - Bodegraven doorverkocht aan de GTS in Sloten, waar het wederom werd omgebouwd, nu voor kaapsspoor 1067mm. Het kreeg uiteindelijk het nummer 5 aangebracht. De plaatsindeling werd bij de GTS gesteld op 20-8.
In de gemeente Sloten leefde de gedachte aan een tramverbinding met Amsterdam al in 1906, toen men de commissarissen van de straatweg Amsterdam-Sloten een vergunning kreeg. Voorlopig kwam het er echter nog niet van. Men bezon zich op de tractievorm en zo kon het gebeuren dat in juni 1917 de raad van de gemeente Sloten tot een elektrische tramlijn besloot. In die dagen zag het er echter niet naar uit dat dit plan te verwezenlijken zou zijn voordat de vrede(het was toen ten tijde van de Eerste Wereldoorlog) was
gesloten. Plannen tot een paardentram bestonden reeds eerder, men was al in 1916 eens kennis komen opdoen op de ten dele in de gemeente Sloten lopende lijn Amsterdam-Sloterdijk. En zolang de oorlog nog voortwoedde, bleef men toch nog maar aan een paardentram denken.
Kort voor het einde van de oorlog had men alles voor elkaar. Met behulp van tweedehands materieel (betrokken van de opgeheven stadspaardentramlijn in Amersfoort en de opgeheven lijn Gouda - Bodegraven) kon men de exploitatie op het inmiddels gereed gekomen traject beginnen. De baan, die enkelsporig was uitgevoerd en slechts één wisselplaats kende, lag vrijwel volledig aan de zuidzijde van de Sloterstraatweg en evenals de wagens waren de rails ook tweedehands. Men had ze overgenomen van de stoomtramweg-maatschappij Oostelijk-Groningen (OG), welke de oude tramlijn van Winschoten naar Bellingwolde van paardentram had omgebouwd tot stoomtramlijn, waartoe natuurlijk zwaarder materiaal nodig was. Per beurtschip waren rails en biels uit het hoge noorden naar Sloten overgebracht.
Op 13 augustus 1918 vond onder grote belangstelling de opening van de lijn, Nederlands laatst in dienst gekomen paardentramlijn, plaats. In een optocht van drie gesloten en één open wagen(dit rijtuig 5), versierd met rode, paarse en witte bloemen en groene slingers, ging het door het vlaggende Sloten via de straatweg, de Sloterkade, Théophile de Bockstraat, Jacob Marisplein en Jacob Marisstraat naar het beginpunt Bosboomstraat, vlak tegenover de "Sluis"(Overtoomsche Sluis)
In dit serieblad betreft het het open rijtuig dat werd overgenomen van de Tramweg Gouda - Bodegraven. Al na korte tijd, vermoedelijk in 1919 bij de komst van 3 nieuwe tweedehandsjes, werd het vernummerd tot rijtuig 6.
Op 1 januari 1921 werd de gemeente Sloten geannexeerd door Amsterdam, waarbij als gevolg hiervan ook de Sloter lijn op 1 juni 1921 in beheer kwam bij de Gemeentetram Amsterdam.
Elektrificatie van de lijn zag men geen heil in, zodat werd omgezien naar een andere vorm van exploitatie. In het voetspoor van de autotractie zoals die toen was ingevoerd op de tramlijn Groningen - Paterswolde - Eelde besloot men ook de Sloter lijn te tractorificeren. Tegelijk daarmee bracht men uit de eigen AOM-erfenis een aantal wagens in die de Sloter gesloten wagens gingen vervangen. Vier tractoren zouden de paarden gaan opvolgen. Bij die gelegenheid werd de lijn aan de Amsterdamse zijde ingekort tot begin Jacob Marisstraat, waar het keren van de tractoren beter kon geschieden dan in de Bosboomstraat.
Op 15 februari 1922 kwam de eerste tractor in bedrijf, zodat toen de dienst gemengd werd onderhouden, met een paardentram en met een tractortram. Op 28 februari 1922 was het de laatste dag dat die paardentram reed en dus ook de datum waarop Amsterdam definitief afscheid van zijn paardentram nam. Sindsdien reed men volledig met tractortrams naar Sloten. Als aanhangers fungeerden nu een aantal voormalige paardentramrijtuigen, die al op deze lijn dienst deden. De andere rijtuigen werden vervangen door een vijftal voormalige AOM-paardentramwagens, die inmiddels allen bij de elektrische tram als bijwagen dienst hadden gedaan. De oude
paardentramwagens werden grotendeels afgevoerd.
Rijtuig 6 bleef ook bij de GTA in dienst om bij mooi weer in de tractortram dienst te doen, veelal als extra rijtuig en werd daarbij wederom vernummerd en kreeg nu het nummer 10 toebedeeld.
Achter de tractor in de tractortram reed in de rustige uren één paardentramrijtuig mee en in de drukkere uren werden dan twee wagens aan de tractor aangehangen.
Op 3 december 1925 werd de paardentramlijn, die inmiddels lijnnummer 21 had gekregen, vervangen door een buslijn. Wel hield men nog enige weken de tramwagens in reserve om op drukke zondagen te kunnen invallen, maar men heeft er geen beroep op behoeven te doen. Het materieel kon daarna in 1926 worden gesloopt.
| Vernummerd | Vernummerd | In Dienst | Vernummerd | Vernummerd | Laatste inzet | ||||||
| Wagennr. | In Dienst | ex-TGB | op | in | bij de GTr | op | in | Buiten Dienst | op lijn | Afvoer op | Afvoer naar |
| 5 | 13-08-1918 | --- | - -1919 | 6 | 01-06-1921 | -02-1922 | 10 | - -1925 | 21 | - -1926 | gesloopt |


