

Tractor 1 + Paardentramrijtuigen 4+1, Sloten, 1922.
Foto: verzameling René van Lier
Home > Tram > Paardentram > Serie > Serie 74(5)
Gemeente Tram Amsterdam- Serie 1-5
Serie: 1-5
Type: dicht paardentramrijtuig
Bouwjaar: 1883-1896 ("overgenomen" in 1922)
Fabrikant wagenbak:
Beijnes, Haarlem(nrs 1-2)
Amsterdamsche Omnibus Maatschappij, Amsterdam(nrs 3-5)
Lengte :
Breedte:
Hoogte:
Radstand:
Wieldiameter:
Gewicht :
Aanschafprijs :
Passagiersindeling : 16-20
In de gemeente Sloten leefde de gedachte aan een tramverbinding met Amsterdam al in 1906, toen men de commissarissen van de straatweg Amsterdam-Sloten een vergunning
gaf. Voorlopig kwam het er echter nog niet van. Men bezon zich op de tractievorm en zo kon het gebeuren dat in juni 1917 de raad van de gemeente Sloten tot een elektrische tramlijn besloot. In die dagen zag het er echter niet naar uit dat dit plan te verwezenlijken zou zijn voordat de vrede(het was toen ten tijde van de Eerste Wereldoorlog) was
gesloten. Plannen tot een paardentram bestonden reeds eerder, men was al in 1916 eens kennis komen opdoen op de ten dele in de gemeente Sloten lopende lijn Amsterdam-Sloterdijk. En zolang de oorlog nog voortwoedde, bleef men toch nog maar aan een paardentram denken.
Kort voor het einde van de oorlog had men alles voor elkaar. Met behulp van tweedehands materieel (betrokken van de opgeheven stadspaardentramlijn in Amersfoort en de opgeheven lijn Gouda - Bodegraven) kon men de exploitatie op het inmiddels gereed gekomen traject beginnen. De baan, die enkelsporig was uitgevoerd en slechts één wisselplaats kende, lag vrijwel volledig aan de zuidzijde van de Sloterstraatweg en evenals de wagens waren de rails ook tweedehands. Men had ze overgenomen van de stoomtramweg-maatschappij Oostelijk-Groningen (OG), welke de oude tramlijn van Winschoten naar Bellingwolde van paardentram had omgebouwd tot stoomtramlijn, waartoe natuurlijk zwaarder materiaal nodig was. Per beurtschip waren rails en biels uit het hoge noorden naar Sloten overgebracht.
Op 13 augustus 1918 vond onder grote belangstelling de opening van de lijn, Nederlands laatst in dienst gekomen paardentramlijn, plaats. In een optocht van drie gesloten en één open wagen(dit rijtuig 5), versierd met rode, paarse en witte bloemen en groene slingers, ging het door het vlaggende Sloten via de straatweg, de Sloterkade, Théophile de Bockstraat, Jacob Marisplein en Jacob Marisstraat naar het beginpunt Bosboomstraat, vlak tegenover de "Sluis"(Overtoomsche Sluis)
Op 1 januari 1921 werd de gemeente Sloten geannexeerd door Amsterdam, waarbij als gevolg hiervan ook de Sloter lijn op 1 juni 1921 in beheer kwam bij de Gemeentetram Amsterdam.
Elektrificatie van de lijn zag men geen heil in, zodat werd omgezien naar een andere vorm van exploitatie. In het voetspoor van de autotractie zoals die toen was ingevoerd op de tramlijn Groningen - Paterswolde - Eelde besloot men ook de Sloter lijn te tractorificeren. Tegelijk daarmee bracht men uit de eigen AOM-erfenis een aantal wagens in die de Sloter gesloten wagens gingen vervangen. Vier tractoren zouden de paarden gaan opvolgen. Bij die gelegenheid werd de lijn aan de Amsterdamse zijde ingekort tot begin Jacob Marisstraat, waar het keren van de tractoren beter kon geschieden dan in de Bosboomstraat.
Op 15 februari 1922 kwam de eerste tractor in bedrijf, zodat toen de dienst gemengd werd onderhouden, met een paardentram en met een tractortram. Op 28 februari 1922 was het de laatste dag dat die paardentram reed en dus ook de datum waarop Amsterdam definitief afscheid van zijn paardentram nam. Sindsdien reed men volledig met tractortrams naar Sloten. Als aanhangers fungeerden nu een aantal voormalige paardentramrijtuigen, die al op deze lijn dienst deden. De andere rijtuigen werden vervangen door een vijftal voormalige AOM-paardentramwagens, die inmiddels alle bij de elektrische tram als bijwagen dienst hadden gedaan. De oude
paardentramwagens werden grotendeels afgevoerd.
Rijtuig 5 werd in 1922 na de omzetting tot tractortram buiten dienst gesteld en afgevoerd. Rijtuig 2 en 7 bleven ook bij de tractortram in dienst, waarbij rijtuig 2 werd vernummerd tot rijtuig 6.
Achter de tractor in de tractortram reed in de rustige uren één paardentramrijtuig mee en in de drukkere uren werden dan twee wagens aan de tractor aangehangen.
In dit serieblad worden de vijf aanhangrijtuigen behandeld, die met de omschakeling op de tractortramdienst in dienst kwamen op de Slotense lijn. Het betrof hier vijf voormalige paardentrambijwagens, gebouwd voor en deels zelfs door de Amsterdamsche Omnibus Maatschappij. In 1900 waren de wagens overgegaan, samen met het bedrijf AOM naar de GTr (Gemeentetram Amsterdam). In 1902 en 1903 waren deze vijf wagens bij de GTr omgebouwd tot elektrische bijwagen voor de dienst achter de elektrische motorwagens op het Amsterdamse tramnet. In 1912 werd een nieuw nummerschema geïntroduceerd, waarbij de bijwagens in verschillende series vernummerd zouden worden. In het geval van deze vijf wagens betrof het alle wagens met zakkende ramen en deze wagens(43 in getal) zou de nieuwe serie 563-605 gaan vormen. Een deel van de wagens werd vanaf 1912 vernummerd, maar al snel werd besloten een wederom ander nieuw nummersysteem voor de bijwagens in te voeren. Omdat de bijwagens in kwestie inmiddels binnen afzienbare tijd zouden worden vervangen door nieuw gebouwde bijwagens werd de vernummering stopgezet, waarbij de wagens die reeds vernummerd waren administratief werden vernummerd in de 900-reeks en de niet vernummerde exemplaren behielden hun oorspronkelijke AOM-nummers. Van de 5 wagens uit deze Slotense serie betrof het dus vier wagens uit deze reeks 563-605, die echter alle 4 nog niet waren vernummerd en dus nog met hun originele nummers dienstdeden. Rijtuig 5 was in 1907, nog als rijtuig 218, verbouwd tot elektrische bijwagen, in 1910 voorzien van verlengde balkons en daarbij vernummerd in 189. Volgens het vernummerschema van 1912 werden de grote en verlengde bijwagens vernummerd tot de reeks 501-562 en in dat kader kreeg dit rijtuig het nummer 541 toebedeeld. De rijtuigen werden alle in 1922, voor zover zij al niet reeds buiten dienst stonden, buiten dienst gesteld en terug aangepast tot paardentramrijtuig en tevens omgespoord naar 1067 mm-spoor en kwamen in de tweede helft van februari 9122 in dienst.
Op 3 december 1925 werd de paardentramlijn, die inmiddels lijnnummer 21 had gekregen, vervangen door een buslijn. Wel hield men nog enige weken de tramwagens in reserve om op drukke zondagen te kunnen invallen, maar men heeft er geen beroep op behoeven te doen. Het materieel kon daarna in 1926 worden gesloopt.
| Vernummerd | Voormalige | AOM / GTA | Lengte | Lengte | Laatste inzet | ||||||||||
| Wagennr. | & In Dienst | Bouwjaar | Gebouwd door | AOM / GTA- paardentramrijtuig |
paardentramserie | Totale lengte | wagenbak | balkons | Breedte | Radstand | Plaatsindeling | Buiten Dienst | op lijn | Afvoer op | Afvoer naar |
| 1 | -02-1922 | 1883 | Beijnes, Haarlem | 120 | 103-120 | 5780 mm | 3690 mm | 1045 mm | 2050 mm | 1700 mm | 14-12 | 03-12-1925 | 21 | - -1926 | gesloopt |
| 2 | -02-1922 | 1883 | Beijnes, Haarlem | 144 | 134-151 | 5780 mm | 3690 mm | 1045 mm | 2050 mm | 1700 mm | 14-12 | 03-12-1925 | 21 | - -1926 | gesloopt |
| 3 | -02-1922 | 1894 | A.O.M., Amsterdam | 228 | 226-237 | 5700 mm | 3700 mm | 1000 mm | 2050 mm | 1625 mm | 14-12 | 03-12-1925 | 21 | - -1926 | gesloopt |
| 4 | -02-1922 | 1896 | A.O.M., Amsterdam | 255 | 250-255 | 5700 mm | 3700 mm | 1000 mm | 2050 mm | 1625 mm | 14-12 | 03-12-1925 | 21 | - -1926 | gesloopt |
| 5 | -02-1922 | 1893 | A.O.M., Amsterdam | 541, ex-189, ex-218 | 214-219 | 2050 mm | 1600 mm | 14-12 | 03-12-1925 | 21 | - -1926 | gesloopt |


