

tractor 3 + paardentramrijtuig 7, Lijn 21, Jacob Marisstraat, 1922.
Foto: verzameling René van Lier
Home > Tram > Paardentram > Serie > Serie 74(5)
Gemeentetram Sloten- Rijtuigen 5, 2 en 7
Gemeente Tram Amsterdam- Rijtuigen 5, 2 en 7
Serie: 2-5-7
Type: dicht paardentramrijtuig
Bouwjaar: 1900 (overgenomen in 1919)
Fabrikant wagenbak: Les Ateliers Métallurgique, Nivelles
Lengte :
Breedte:
Hoogte:
Radstand:
Wieldiameter:
Gewicht :
Aanschafprijs :
Passagiersindeling : 16-20
In 1900 werd een paardentramlijn tussen Winschoten en Bellingwolde in gebruik genomen door de WB (Tramweg-Maatschappij Winschoten - Bellingwolde. De spoorwijdte bedroeg 1067mm. In 1914 werd de lijn overgenomen door de OG (Stoomtramweg-Maatschappij Oostelijk Groningen), die hier in 1915 tot Blijham en in 1917 tot Bellingwolde op stoomtractie overging. De rijtuigen bij de paardentramlijn werden eerst met warmwaterstoven verwarmd en van 1907 af met
brikettenstoven. Zij hadden vermoedelijk een Riedel-bel (net als de goederenwagens). Van 1916 af onderscheidde de OG op de lijn naar Bellingwolde net als op de stoomtramlijnen tweede en derde klasse. Men zal toen met twee rijtuigen zijn gaan rijden, want
voor zover bekend had geen der rijtuigen twee afdelingen.
Na de buitendienststelling van de paardentram in 1917 stonden de rijtuigen buiten dienst(één van de rijtuigen reed tussen 1916 en 1918 op de smalspoorlijn in Veendam en ging in 1918 buiten dienst, toen de dienst hier werd gestaakt). In 1919 werd eerst rijtuig 5 verkocht aan de Gemeentetram Sloten, later gevolgd door de 1 en 4. De bij de OG nog aanwezige 2 en 3 werden in 1920 bij de veiling van het resterende paardentrammaterieel verkocht.
In de gemeente Sloten leefde de gedachte aan een tramverbinding met Amsterdam al in 1906, toen men de commissarissen van de straatweg Amsterdam-Sloten een vergunning
gaf. Voorlopig kwam het er echter nog niet van. Men bezon zich op de tractievorm en zo kon het gebeuren dat in juni 1917 de raad van de gemeente Sloten tot een elektrische tramlijn besloot. In die dagen zag het er echter niet naar uit dat dit plan te verwezenlijken zou zijn voordat de vrede(het was toen ten tijde van de Eerste Wereldoorlog) was
gesloten. Plannen tot een paardentram bestonden reeds eerder, men was al in 1916 eens kennis komen opdoen op de ten dele in de gemeente Sloten lopende lijn Amsterdam-Sloterdijk. En zolang de oorlog nog voortwoedde, bleef men toch nog maar aan een paardentram denken.
Kort voor het einde van de oorlog had men alles voor elkaar. Met behulp van tweedehands materieel (betrokken van de opgeheven stadspaardentramlijn in Amersfoort en de opgeheven lijn Gouda - Bodegraven) kon men de exploitatie op het inmiddels gereed gekomen traject beginnen. De baan, die enkelsporig was uitgevoerd en slechts één wisselplaats kende, lag vrijwel volledig aan de zuidzijde van de Sloterstraatweg en evenals de wagens waren de rails ook tweedehands. Men had ze overgenomen van de stoomtramweg-maatschappij Oostelijk-Groningen (OG), welke de oude tramlijn van Winschoten naar Bellingwolde van paardentram had omgebouwd tot stoomtramlijn, waartoe natuurlijk zwaarder materiaal nodig was. Per beurtschip waren rails en biels uit het hoge noorden naar Sloten overgebracht.
Op 13 augustus 1918 vond onder grote belangstelling de opening van de lijn, Nederlands laatst in dienst gekomen paardentramlijn, plaats. In een optocht van drie gesloten en één open wagen(dit rijtuig 5), versierd met rode, paarse en witte bloemen en groene slingers, ging het door het vlaggende Sloten via de straatweg, de Sloterkade, Théophile de Bockstraat, Jacob Marisplein en Jacob Marisstraat naar het beginpunt Bosboomstraat, vlak tegenover de "Sluis"(Overtoomsche Sluis)
Het bleek al gauw dat de Amersfoortse wagens, zoals de rijtuigen 2 en 3 in dit serieblad zich niet goed voegden naar het Groningse railtype. Men was dan ook verheugd in 1919 een drietal paardentramwagens van de OG te kunnen overnemen, die eveneens afkomstig waren van genoemde paardentramlijn en die zich op hun vertrouwde rails in hun nieuwe werkgebied wel zeer zullen hebben thuis gevoeld. De Amersfoortse wagens werden sindsdien alleen bij drukte en uitval ingezet.
In dit serieblad betreft het de drie dichte rijtuigen, die werden overgenomen van de OG. Rijtuig 5, 1 en 4, die in deze volgorde werden overgenomen, werden in deze volgorde vernummerd tot 5, 2 en 7.
Op 1 januari 1921 werd de gemeente Sloten geannexeerd door Amsterdam, waarbij als gevolg hiervan ook de Sloter lijn op 1 juni 1921 in beheer kwam bij de Gemeentetram Amsterdam.
Elektrificatie van de lijn zag men geen heil in, zodat werd omgezien naar een andere vorm van exploitatie. In het voetspoor van de autotractie zoals die toen was ingevoerd op de tramlijn Groningen - Paterswolde - Eelde besloot men ook de Sloter lijn te tractorificeren. Tegelijk daarmee bracht men uit de eigen AOM-erfenis een aantal wagens in die de Sloter gesloten wagens gingen vervangen. Vier tractoren zouden de paarden gaan opvolgen. Bij die gelegenheid werd de lijn aan de Amsterdamse zijde ingekort tot begin Jacob Marisstraat, waar het keren van de tractoren beter kon geschieden dan in de Bosboomstraat.
Op 15 februari 1922 kwam de eerste tractor in bedrijf, zodat toen de dienst gemengd werd onderhouden, met een paardentram en met een tractortram. Op 28 februari 1922 was het de laatste dag dat die paardentram reed en dus ook de datum waarop Amsterdam definitief afscheid van zijn paardentram nam. Sindsdien reed men volledig met tractortrams naar Sloten. Als aanhangers fungeerden nu een aantal voormalige paardentramrijtuigen, die al op deze lijn dienst deden. De andere rijtuigen werden vervangen door een vijftal voormalige AOM-paardentramwagens, die inmiddels allen bij de elektrische tram als bijwagen dienst hadden gedaan. De oude
paardentramwagens werden grotendeels afgevoerd.
Rijtuig 5 werd in 1922 na de omzetting tot tractortram buiten dienst gesteld en afgevoerd. Rijtuig 2 en 7 bleven ook bij de tractortram in dienst, waarbij rijtuig 2 werd vernummerd tot rijtuig 6.
Achter de tractor in de tractortram reed in de rustige uren één paardentramrijtuig mee en in de drukkere uren werden dan twee wagens aan de tractor aangehangen.
Op 3 december 1925 werd de paardentramlijn, die inmiddels lijnnummer 21 had gekregen, vervangen door een buslijn. Wel hield men nog enige weken de tramwagens in reserve om op drukke zondagen te kunnen invallen, maar men heeft er geen beroep op behoeven te doen. Het materieel kon daarna in 1926 worden gesloopt.
| In Dienst | Vernummerd | Vernummerd | Laatste inzet | ||||||
| Wagennr. | In Dienst | ex-OG | bij de GTr | op | in | Buiten Dienst | op lijn | Afvoer op | Afvoer naar |
| 5 | - -1919 | 5 | 01-06-1921 | --- | --- | -02-1922 | 21 | - -1922 | gesloopt |
| 2 | - -1919 | 1 | 01-06-1921 | -02-1922 | 6 | 03-12-1925 | 21 | - -1926 | gesloopt |
| 7 | - -1919 | 4 | 01-06-1921 | --- | --- | 03-12-1925 | 21 | - -1926 | gesloopt |


